Als je me tien jaar geleden had gevraagd wat mijn grootste droom was…
dan had ik waarschijnlijk gezegd:
‘Een boek schrijven.’
Maar eigenlijk klopt dat niet helemaal.
Mijn grootste droom was nooit een boek.
Mijn grootste droom was dat mensen anders naar kinderen zouden gaan kijken.
Het boek…
werd alleen het middel.
Ik weet nog precies waar die droom ontstond.
Niet op een inspirerende schrijfcursus.
Niet tijdens een wandeling.
Maar gewoon…
tijdens een vergadering op mijn werk.
Zoals zo vaak bespraken we een opvoedkundig vraagstuk.
In die periode zagen we steeds vaker jonge kinderen met gedrag dat als ‘ongewenst’ werd bestempeld.
Alleen…
met dat woord heb ik altijd al moeite gehad.
Want ongewenst gedrag?
Dat bestaat volgens mij helemaal niet.
Gedrag ontstaat nooit zomaar.
Gedrag vertelt iets.
Gedrag is communicatie.
Tijdens die vergadering zag ik collega’s vooral kijken naar wat een kind deed.
Ik keek vooral naar waarom een kind het deed.
Voor mij waren dat altijd twee verschillende dingen.
Ik stelde een eenvoudige vraag.
“Als een kind iets doet waar jij het niet mee eens bent… wat zeg je dan?”
Een collega antwoordde vrijwel direct:
‘Stop ermee. Je weet dat er regels zijn.’
Ik knikte.
Maar in mijn hoofd gebeurde ondertussen iets heel anders.
Mijn gedachten dwaalden af.
Niet uit desinteresse…
maar omdat ik ineens glashelder zag waar het misging.
Hier lag de basis.
Hier moest ooit een boek over komen.
Geen dik pedagogisch handboek.
Geen ingewikkelde theorieën waar je eerst drie keer Jean Piaget voor moet lezen voordat je begrijpt wat er bedoeld wordt.
Maar een boek in gewone mensentaal.
Met herkenbare situaties.
Met voorbeelden uit het dagelijks leven.
Situaties die gewoon bij jou thuis aan de keukentafel zouden kunnen gebeuren.
Of op de kinderopvang.
Of op school.
Ik zag tijdens die vergadering minstens tien gedragingen voor me waarvan ik dacht:
Als je hier anders naar leert kijken… wordt opvoeden ineens een stuk minder ingewikkeld.
Want vaak vraagt gedrag niet om méér corrigeren.
Maar om beter kijken.
En beter luisteren.
Toch verdween dat boek weer naar de achtergrond.
Het leven gebeurde.
Er kwamen moeilijke jaren.
Plannen verdwenen in een la.
‘Ooit,’ dacht ik steeds.
Maar ondertussen bleef ik om me heen dezelfde worsteling zien.
Kinderen die iets probeerden te vertellen.
Volwassenen die vooral reageerden op het gedrag.
En iedere keer voelde ik opnieuw:
Ik moet dit opschrijven.
Op een dag heb ik de koe bij de horens gevat.
Ik begon.
Gewoon.
Woord voor woord.
Verhaal voor verhaal.
Langzaam ontstond er iets.
Een manuscript.
Ik herschreef.
Schrapte.
Voegde toe.
Volgde een schrijfcursus.
De woorden begonnen steeds beter te vertellen wat ik al die jaren voelde.
En alsof dat nog niet genoeg was…
kwamen er tijdens mijn wandelingen met Riva steeds weer nieuwe ideeën.
Het leek wel alsof mijn hoofd eindelijk toestemming had gekregen om alles eruit te laten.
Een kinderboek.
Blogs.
Een podcast.
Nieuwe plannen.
Ik heb ze allemaal opgeschreven.
En nu…
ligt mijn manuscript bij de analist.
In augustus is mijn geesteskind aan de beurt.
Ondertussen denk ik na over ISBN-nummers.
Over een omslag.
Over de lay-out.
Over papier.
Over drukken.
Ik wil de hele reis zelf beleven.
Van eerste gedachte…
tot het moment waarop iemand mijn boek oppakt in een boekwinkel.
Misschien klinkt dat een beetje zweverig.
Maar ik voel een emotionele band met dit boek.
Het is niet zomaar een manuscript.
Het is een stukje van wie ik ben geworden.
Van hoe ik naar kinderen kijk.
Van wat ik in ruim vijfendertig jaar heb geleerd.
En soms…
heel soms…
sta ik mezelf toe om even te dromen.
Dan zie ik een displaytafel bij de boekhandel.
Ik loop er nietsvermoedend langs.
En daar ligt het.
Anekdotes van een Kinder-babbelaar.
Niet omdat ik schrijver wilde worden.
Maar omdat ik hoop dat iemand na het lezen van dat boek één ding doet.
Niet anders opvoedt.
Maar…
anders leert kijken.
Want misschien…
begon dat boek wel helemaal niet tijdens een vergadering.
Misschien begon het al veel eerder.
Op het moment dat een klein meisje zichzelf ooit beloofde:
‘Ik ga het anders doen.’








