‘Het komt goed.’

Als je met een fictief personage zou kunnen dineren, wie zou dat dan zijn?

Niet met Harry Potter.

Niet met Pippi Langkous.

En ook niet met Gandalf.

Zelfs niet met Chester Bennington.

Ik zou willen dineren met een klein meisje.

Ze heeft donkerblond haar.

Grote nieuwsgierige ogen.

En ze kijkt voortdurend om zich heen om te controleren of het veilig is.

Dat meisje…

ben ik.

Of beter gezegd…

het meisje dat ik ooit was.

Als zij tegenover me aan tafel zou zitten, zou ik eigenlijk maar één ding tegen haar willen zeggen.

‘Het komt goed.’

Door mijn leven heen zijn er veel mensen op mijn pad verschenen.

Mensen aan wie ik warme herinneringen bewaar.

En mensen waar ik met een grote boog omheen liep.

Mijn kinder- en tienerjaren stonden vooral in het teken van spanning en afwijzing.

Die jaren hebben littekens achtergelaten.

Op de dag dat ik voor de laatste keer de deur achter me dichttrok, deed ik mezelf één belofte.

Als ik ooit kinderen mag krijgen, dan ga ik het anders doen.

Die belofte is altijd mijn kompas gebleven.

Al snel werd duidelijk dat de studierichting die ik koos daar naadloos bij aansloot.

Mijn hele werkzame leven heb ik met kinderen gewerkt.

Groot.

Klein.

Kinderen met een extra ondersteuningsvraag.

Kinderen met rugzakjes die niemand zag.

Mijn eigen littekens hebben ervoor gezorgd dat de kinderen om mij heen in ieder geval één ding zouden voelen:

Veiligheid.

Samen met de vele collega’s met wie ik heb mogen werken, werd veiligheid geen rode draad.

Het werd een rode kabel.

Soms gebeurt er nog iets bijzonders.

Dan zie ik een foto van mijn eigen Jip.

En ineens kijk ik naar mezelf als klein meisje.

Of er wordt een nieuw kindje aangemeld dat zichtbaar moeite heeft met hechten.

Op zo’n moment zie ik twee kinderen.

Het kind dat voor me staat.

En het meisje dat ik ooit zelf was.

Ik zak door mijn knieën.

Maak voorzichtig contact.

Zet mijn hele energie open.

En plant langzaam een zaadje van vertrouwen.

Wanneer dat kind zich uiteindelijk veilig genoeg voelt om tegen me aan te kruipen tijdens het voorlezen van een boekje…

zit daar, heel even…

ook dat kleine meisje uit mijn herinnering.

Op de terugweg naar mijn kantoor denk ik soms aan mijn eigen jeugd.

Aan de geborgenheid die ik heb gemist.

Aan een thuis dat nooit helemaal veilig voelde.

En dan dient zich nog altijd dezelfde vraag aan.

Waarom?

Die vraag zou ik willen stellen aan een samengesmolten versie van mijn vader en moeder.

Eén ouder.

Eén gesprek.

Maar diep van binnen weet ik ook dat ik dat antwoord waarschijnlijk nooit zou krijgen.

Ze roeiden allebei met de riemen die ze hadden.

Kinderen van ouders die een oorlog hadden meegemaakt.

Opgegroeid tussen verlies.

Honger.

Kou.

En gezinnen die door geweld uit elkaar werden gerukt.

Neem ik hun iets kwalijk?

Nee.

Dit was wat zij konden, binnen de mogelijkheden die zij hadden.

Het trauma dat zij met zich meedroegen, werd doorgegeven aan hun kinderen.

Tot…

mijn generatie.

Ik heb besloten dat de rij bij mij stopt.

Dat het hier eindigt.

Vandaag schijnt de zon.

Het leven is goed.

En mijn kinderen, Moos en Jip, zijn opgegroeid in veiligheid.

Ik kan mijn eigen verleden niet veranderen.

Maar ik heb wél kunnen bepalen hoe de toekomst van mijn kinderen eruit zou zien.

Misschien is dat wel de belangrijkste erfenis die je kunt achterlaten.

En misschien… als dat kleine meisje vandaag tegenover me zou zitten, zou ze eindelijk geloven wat ik haar aan het begin van dit diner vertelde.

‘Het komt goed.’

2 Responses

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

‘Het komt goed.’