Het is donderdagochtend, bijna tien uur.
Op de verloskamer worstelt Mira zich door de laatste fase van haar bevalling. Zweet parelt op haar voorhoofd terwijl haar zoon langzaam zijn weg naar de wereld vindt.
En dan…
is hij daar.
Een klein jongetje wordt voorzichtig op haar buik gelegd.
Tranen rollen over haar rood aangelopen gezicht terwijl ze voor het eerst naar hem kijkt. Negen maanden heeft ze naar dit moment uitgekeken.
Met haar vingertoppen volgt ze voorzichtig de contouren van zijn kleine hoofdje. Ze pakt zijn handje vast, geeft hem een kus op zijn voorhoofd en fluistert:
‘Welkom Martijn… ik ben je mama.‘
Martijn groeit op tot een tevreden baby.
Hij volgt keurig zijn groeicurve, haalt zijn mijlpalen en laat zijn ouders iedere dag een beetje meer ontdekken wie hij is.
Steeds vaker herkent Mira trekken van zijn vader.
Zijn donkere ogen.
Zijn rustige blik.
Zijn gewoonte om eerst te kijken voordat hij iets doet.
Martijn is geen kind dat overal als eerste op af rent.
Hij observeert.
Neemt de tijd.
En pas als hij de situatie begrijpt, zet hij voorzichtig een stap.
‘Dat heeft hij echt van zijn vader,’ hoort Mira regelmatig.
En daar zit waarschijnlijk een kern van waarheid in.
Maar er is ook iets van haar.
Wanneer Martijn een blauwe maandag naar de peuterspeelzaal gaat, blijkt al snel dat het niets voor hem is. Hij huilt veel, zoekt weinig contact en lijkt zich het liefst terug te trekken.
Mira besluit hem niet te dwingen.
In plaats daarvan krijgt hij een puppy.
Het is liefde op het eerste gezicht.
Waar Martijn gaat…
gaat Henk.
Die zomer spelen ze urenlang samen in de tuin.
Martijn zit met zijn handen in de aarde.
Hij bekijkt regenwormen.
Volgt een lieveheersbeestje.
Blijft minutenlang naar een slak kijken die langzaam over een steen kruipt.
Mira glimlacht.
Daar ziet ze zichzelf terug.
Ze besluit zijn nieuwsgierigheid te voeden.
Ze kopen boeken over dieren.
Maken wandelingen door het bos.
Bezoeken musea.
Kijken samen naar natuurdocumentaires.
Niet omdat het moet.
Maar omdat ze ziet hoe zijn ogen beginnen te glimmen zodra hij iets nieuws ontdekt.
Jaren later vertelt Martijn tijdens het eten bijna achteloos:
‘Ik denk dat ik biologie wil gaan studeren.‘
Niemand aan tafel kijkt verbaasd.
Eigenlijk was dit al jaren geleden begonnen.
Niet op school.
Niet tijdens een toets.
Maar met een klein jongetje dat samen met zijn hond in de tuin op zijn buik lag om een kever te bekijken.
En misschien is dat precies het antwoord op de vraag.
Worden we gevormd door wie we zijn?
Of door wat we meemaken?
Ik denk allebei.
We worden geboren met een eigen temperament.
Met karaktertrekken die soms verrassend veel lijken op die van onze ouders.
Maar het zijn de ervaringen onderweg…
de mensen die ons zien,
de kansen die we krijgen,
de liefde waarmee onze nieuwsgierigheid wordt gevoed…
die ervoor zorgen dat die aanleg mag uitgroeien tot wie we uiteindelijk worden.
Misschien worden we dus niet gevormd door óf onze ervaringen óf onze persoonlijkheid.
Misschien is het juist de ontmoeting tussen die twee…
die ons maakt tot wie we zijn.









One Response
… reposted this!